Het woon- en briefadres in de praktijk
Bij Kennisinstituut Gemeenten schrijven wij regelmatig blogs over het woon- en briefadres. Het onderwerp komt terug in onze cursussen en trainingen en speelt een grote rol in onze dagelijkse praktijk. Dat is niet verwonderlijk, want vrijwel iedereen in Nederland woont ergens en dat gaat hand in hand met een inschrijving in de basisregistratie personen (hierna: BRP). Wat wij in de praktijk vooral zien, zijn situaties waarin het systeem nét niet past en waarin het zoeken wordt naar de (on)mogelijkheden en naar maatwerk. Tegelijkertijd benadrukken wij in onze trainingen juist dat de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) nauwelijks ruimte laat voor maatwerk. Hoe verhoudt zich dat tot elkaar, en is er toch ruimte voor een evenredigheidsafweging?
Een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam illustreert deze zoektocht op treffende wijze (ECLI:NL:RBAMS:2025:9315).
De casus: verblijf in het buitenland om medische redenen
In deze zaak worden een vrouw en haar zoon door een gemeente ambtshalve uitgeschreven uit de BRP. Uit onderzoek van de gemeente is gebleken dat de vrouw en haar zoon al ongeveer een jaar in Syrië verblijven, waar de zoon ook onderwijs volgt. Het verblijf in Syrië is ingegeven door medische redenen: de zoon ontvangt daar zorg die in Nederland niet beschikbaar is, hetgeen bovendien heeft geleid tot een diagnose die in Nederland lange tijd uitbleef. De vrouw en haar zoon keren iedere vier tot zes maanden voor korte tijd terug naar Nederland, waar de zoon onder behandeling staat van een Nederlands ziekenhuis. Het is de bedoeling dat de vrouw en haar zoon uiteindelijk terugkeren naar Nederland, waar de in Syrië ingezette zorg zal worden voortgezet. De man en vader verblijft zonder onderbreking in Nederland.
Ambtshalve uitschrijving en voorlopige voorziening
Niet in geschil is dat de vrouw en haar zoon geen woon- of briefadres in Nederland hebben. De gemeente komt daarom tot een ambtshalve uitschrijving uit de BRP. De voorzieningenrechter volgt dit oordeel. In de daaropvolgende belangenafweging in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure wordt echter geoordeeld dat de belangen van de vrouw en haar zoon gedurende de bezwaarprocedure zwaarder wegen dan het belang van de gemeente. Daarbij speelt met name het medische belang een rol. Als gevolg van de ambtshalve uitschrijving heeft de zorgverzekeraar de zorgverzekering van de vrouw en haar zoon namelijk direct stopgezet, waardoor medische zorg voor de zoon in Nederland niet langer wordt vergoed. De voorzieningenrechter schorst het besluit tot ambtshalve uitschrijving tot zes weken na het besluit op bezwaar. De vrouw en haar man krijgen in die periode de gelegenheid om te onderzoeken of en op welke wijze de zorg voor hun zoon in Nederland kan worden voortgezet ondanks de uitschrijving uit de BRP. Daarbij krijgen zij een duidelijke opdracht mee, namelijk dat zij hiervoor zelf een constructie moeten bedenken, eventueel in overleg met het ziekenhuis en/of de zorgverzekeraar.
Beperkte ruimte voor maatwerk binnen de Wet brp
Wat de voorzieningenrechter met deze uitspraak opnieuw laat zien, is dat de mogelijkheden voor het leveren van maatwerk binnen de Wet brp zeer beperkt zijn. In feite krijgt de gemeente inhoudelijk gelijk, maar acht de rechter het noodzakelijk dat de betrokkenen meer tijd krijgen om zich voor te bereiden op de onvermijdelijke gevolgen van de uitschrijving. De les voor gemeenten is dat het enige beschikbare maatwerk gelegen is in het moment van inwerkingtreding van een besluit tot (ambtshalve) uitschrijving, maar dat verdergaande ruimte ontbreekt. De les voor burgers in een vergelijkbare situatie is dat zij zich voor oplossingen niet tot de gemeente moeten richten, maar tot andere partijen, zoals de zorgverzekeraar.
Evenredigheidsbeginsel en de bodemprocedure
Het betreft hier een voorlopige voorzieningenprocedure. De vraag rijst of binnen de bodemprocedure meer mogelijk zou zijn, bijvoorbeeld door een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Die ruimte zien wij niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich recent uitgelaten over de doorwerking van het evenredigheidsbeginsel binnen de Wet brp en geoordeeld dat deze zeer beperkt is, omdat de Wet brp een wet in formele zin is en er daarom een toetsingsverbod geldt. Hoewel dit toetsingsverbod niet absoluut is en er in uitzonderlijke gevallen ruimte kan bestaan om af te wijken van een wettelijke bepaling wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle door de wetgever zijn verdisconteerd en toepassing van de wet zou leiden tot een resultaat dat evident in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht, biedt de Wet brp daarvoor in de regel geen ruimte. De bepalingen over het woon- en briefadres zijn dwingendrechtelijk geformuleerd en laten de gemeente geen ruimte voor een belangenafweging. Dat besluiten op grond van deze bepalingen ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor burgers, zoals het stopzetten van de Nederlandse zorgverzekering, is een rechtstreeks gevolg van het systeem van gegevensverwerking waarop de Wet brp is gebaseerd. Het is niet aannemelijk dat de wetgever dergelijke gevolgen niet heeft voorzien, zodat deze omstandigheden in de regel niet kunnen leiden tot een succesvol beroep op het evenredigheidsbeginsel.
Conclusie: maatwerk alleen in het moment van uitvoering
Is maatwerk mogelijk bij de inschrijving van een woon- of briefadres? Het korte antwoord is: nee. Gemeenten kunnen wel rekening houden met de verstrekkende gevolgen van het ontbreken van maatwerk door betrokkenen de tijd te geven zich voor te bereiden op die gevolgen, waarbij de ruimte uitsluitend zit in het moment waarop een besluit tot (ambtshalve) uitschrijving in werking treedt.