BZK bevestigt het woonadresbeginsel, maar legt tegelijkertijd een fundamentele spanning in de uitvoeringspraktijk bloot

Op 10 juli 2026 publiceerde het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een nieuwsbericht over de inschrijving van vluchtelingen in de Basisregistratie Personen (BRP). De boodschap is helder: ook voor vluchtelingen geldt onverkort het woonadresbeginsel. Verblijft iemand feitelijk bij derden en is daar sprake van een woonadres in de zin van de Wet BRP, dan behoort die persoon op dat adres te worden ingeschreven. Doet betrokkene daarvan geen aangifte, dan kan de gemeente – na een zorgvuldig adresonderzoek – zelfs ambtshalve tot inschrijving overgaan.

Met deze publicatie bevestigt BZK feitelijk een standpunt dat wij eerder al hebben ingenomen. De Wet BRP kent geen uitzonderingspositie voor vluchtelingen of bewoners van COA-opvanglocaties. Ook voor hen geldt dat de Basisregistratie Personen de feitelijke woonwerkelijkheid moet weerspiegelen.

Tegelijkertijd legt hetzelfde nieuwsbericht een fundamentele spanning bloot die al geruime tijd bestaat binnen de uitvoeringspraktijk.

De wet is helder

Artikel 2.39 van de Wet BRP laat weinig ruimte voor interpretatie. Wie zijn woonadres heeft op een bepaald adres, wordt op dat adres ingeschreven. Dat uitgangspunt geldt voor iedere ingezetene.

Het is daarom terecht dat BZK expliciet aangeeft dat er geen bijzondere afspraken bestaan tussen het ministerie en het COA die aanleiding geven om hiervan af te wijken. De Wet BRP blijft leidend.

Daarmee wordt impliciet ook bevestigd dat organisatorische of bestuurlijke afspraken nooit in de plaats kunnen treden van de wettelijke systematiek.

Maar de uitvoering vertelt een ander verhaal

Vrijwel direct daarna noemt BZK echter een belangrijke uitzondering:

“Vluchtelingen die nog geen BSN hebben, kunnen niet door de woongemeente in de BRP worden ingeschreven. Zij worden door een BRP-straat in de BRP geregistreerd.”

Juist hier wringt het.

Wij hebben eerder al aandacht gevraagd voor de spanning die is ontstaan sinds de eerste inschrijving van veel vergunninghouders is gecentraliseerd bij de BRP-straten. De gemeente waar iemand daadwerkelijk woont, kan de eerste inschrijving in veel gevallen niet zelf uitvoeren, terwijl juist die gemeente op grond van de Wet BRP verantwoordelijk is voor een juiste registratie van het woonadres.

Dat leidt tot een opmerkelijke situatie. Enerzijds benadrukt BZK dat het feitelijke woonadres altijd leidend is. Anderzijds is de gemeente waar dat woonadres zich bevindt niet altijd in staat om die registratie zelf tot stand te brengen.

Een vraag waarop het nieuwsbericht geen antwoord geeft

Het nieuwsbericht stelt dat gemeenten het woonadresbeginsel strikt moeten toepassen en – indien nodig – ambtshalve kunnen inschrijven.

Maar dezelfde publicatie vermeldt ook dat gemeenten personen zonder BSN niet zelf kunnen registreren.

Daarmee ontstaat een fundamentele vraag:

Hoe kan een gemeente uitvoering geven aan het woonadresbeginsel wanneer zij de eerste inschrijving wettelijk of organisatorisch niet zelf kan verrichten?

Op die vraag geeft BZK geen antwoord.

En juist dát is opmerkelijk. Want zolang die vraag onbeantwoord blijft, blijft ook de spanning bestaan tussen de juridische werkelijkheid en de dagelijkse uitvoeringspraktijk.

Eigenlijk bevestigt BZK onze eerdere conclusie

In eerdere blogs schreven wij al dat de Wet BRP slechts één uitgangspunt kent: registratie vindt plaats op het adres waar iemand daadwerkelijk woont. Niet op het adres waar dat organisatorisch het handigst is, niet op een opvanglocatie waar iemand feitelijk niet meer verblijft en ook niet omdat een andere overheidspartij daarom vraagt.

Met het nieuwsbericht van 10 juli 2026 bevestigt BZK dat uitgangspunt nadrukkelijk. Daarmee wordt tegelijkertijd bevestigd dat de uitvoeringspraktijk zich steeds aan de wet zal moeten conformeren en niet andersom.

Dat maakt dit nieuwsbericht belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt. Het bevat namelijk niet alleen een verduidelijking van het woonadresbeginsel, maar onderstreept ook dat organisatorische keuzes rondom de BRP-straten nooit mogen leiden tot een registratie die afwijkt van de feitelijke woonsituatie.

Conclusie

Het nieuwsbericht van BZK verdient waardering omdat het ondubbelzinnig bevestigt dat het woonadresbeginsel voor iedereen geldt, ook voor vluchtelingen die gebruikmaken van de opvang of tijdelijk bij derden verblijven.

Tegelijkertijd maakt dezelfde publicatie duidelijk dat de huidige uitvoeringspraktijk nog niet overal naadloos aansluit op die wettelijke systematiek. Zolang de eerste inschrijving via de BRP-straten verloopt en de woongemeente daarin slechts een beperkte rol heeft, zal de vraag blijven bestaan hoe het woonadresbeginsel in alle gevallen daadwerkelijk kan worden geëffectueerd.

De juridische norm is duidelijk. Nu is het zaak dat ook de uitvoering daar volledig mee in overeenstemming wordt gebracht.

Wilt u sparren over complexe BRP-vraagstukken?

De samenloop tussen de Wet BRP en praktische uitvoering leidt steeds vaker tot ingewikkelde juridische vragen. Onze juristen ondersteunen gemeenten dagelijks bij dit soort vraagstukken, schrijven juridische adviezen, behandelen bezwaar- en beroepszaken en verzorgen specialistische trainingen voor Burgerzaken medewerkers.

Heeft uw gemeente een vergelijkbare casus of twijfelt u over de juiste juridische lijn? Neem gerust contact op. Wij denken graag met u mee.

Scroll naar boven