In onze eerdere blog over de Meicirculaire 2026 stonden we stil bij twee ontwikkelingen die relevant zijn voor Burgerzaken. Eén daarvan was de financiering van de zogenoemde BRP-straten. Het Rijk stelt opnieuw middelen beschikbaar voor deze centrale inschrijvingsvoorzieningen voor vergunninghouders. Daarmee lijkt nogmaals te worden bevestigd dat de BRP-straat geen tijdelijke noodmaatregel meer is, maar een blijvend onderdeel van de gemeentelijke uitvoeringspraktijk.
Maar juist die constatering roept een interessante juridische vraag op.
Want hoewel de BRP-straat inmiddels stevig is ingebed in de bestuurlijke praktijk, is de wettelijke basis ervan minder vanzelfsprekend dan veel mensen denken.
De dagelijkse uitdaging in jouw werk
Voor veel medewerkers van Burgerzaken is de BRP-straat inmiddels een bekend begrip. Vergunninghouders worden in de praktijk vaak ingeschreven via een beperkt aantal gespecialiseerde gemeenten. Deze gemeenten beschikken over specifieke kennis, werken nauw samen met ketenpartners zoals het COA, de IND en AVIM en kunnen grote aantallen inschrijvingen efficiënt verwerken.
Dat levert voordelen op.
De kwaliteit van de inschrijvingen neemt toe, expertise wordt geconcentreerd en vergunninghouders beschikken sneller over een BSN. Daardoor kunnen ook vervolgstappen zoals huisvesting, zorg, onderwijs en participatie sneller worden opgestart.
Vanuit uitvoeringsperspectief is daar veel voor te zeggen.
Maar hoe zit dat juridisch?
Waar komen de BRP-straten eigenlijk vandaan?
De oorsprong van de BRP-straten ligt niet in de Wet basisregistratie personen.
De constructie vindt haar oorsprong in bestuurlijke afspraken die zijn gemaakt tijdens de verhoogde asielinstroom in 2015. Gemeenten en Rijk spraken af om de eerste inschrijving van vergunninghouders te concentreren bij een beperkt aantal gemeenten.
Dat was begrijpelijk. De asielinstroom was hoog en er bestond behoefte aan een efficiënte en uniforme werkwijze.
Sindsdien zijn de BRP-straten gebleven.
Sterker nog: uit de Meicirculaire 2026 blijkt dat het Rijk opnieuw middelen beschikbaar stelt vanwege gewijzigde aantallen inschrijvingen en uitvoeringskosten. Daarmee wordt feitelijk bevestigd dat de BRP-straat inmiddels een structureel onderdeel vormt van het bestuurlijke bestel.
Toch roept dat een fundamentele vraag op.
Wat zegt de Wet BRP?
De Wet BRP bevat een duidelijke hoofdregel.
Artikel 2.4, eerste lid, bepaalt dat degene die rechtmatig verblijf geniet, niet is ingeschreven in de BRP en naar verwachting gedurende langere tijd in Nederland zal verblijven, wordt ingeschreven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn adres heeft.
Dat lijkt helder.
De wet spreekt niet over BRP-straten.
De wet spreekt niet over centrale inschrijving.
De wet spreekt niet over vergunninghouders die verplicht via een andere gemeente moeten worden geregistreerd.
De wet wijst simpelweg het college van de woongemeente aan als bevoegd bestuursorgaan.
En juist daar ontstaat een interessante spanning tussen wet en praktijk.
Stel dat een advocaat zich meldt…
Zolang iedereen meewerkt aan de bestaande werkwijze, levert dat weinig discussie op.
Maar stel dat een advocaat namens zijn cliënt een verzoek indient bij een gemeente waar een vergunninghouder feitelijk verblijft.
Die gemeente beschikt niet over een BRP-straat.
De advocaat wijst op artikel 2.4 Wet BRP en verzoekt het college om zijn cliënt in te schrijven op het adres waar hij daadwerkelijk woont.
Wat gebeurt er dan?
Veel gemeenten zullen geneigd zijn te verwijzen naar de bestaande afspraken rondom de BRP-straten.
Maar daarmee is de juridische vraag nog niet beantwoord.
Want een bestuurlijke afspraak is iets anders dan een wettelijke regeling.
Bestuurlijke afspraak versus wet in formele zin
Bestuurlijke afspraken kunnen veel waarde hebben. Ze zorgen voor samenwerking, uniformiteit en praktische oplossingen.
Maar zij kunnen niet zelfstandig afwijken van een wet in formele zin.
In ons staatsrecht geldt een duidelijke hiërarchie van rechtsbronnen. Wanneer een wettelijke bepaling iets anders voorschrijft dan een bestuurlijke afspraak, is uiteindelijk de wet leidend.
Dat betekent niet automatisch dat de huidige werkwijze onrechtmatig is. Wel betekent het dat de juridische onderbouwing minder vanzelfsprekend is dan soms wordt gedacht.
De vraag is namelijk niet of de BRP-straat praktisch verstandig is.
De vraag is of een gemeente die volgens de Wet BRP bevoegd lijkt te zijn, een verzoek tot inschrijving uitsluitend mag afwijzen omdat er bestuurlijk is afgesproken dat een andere gemeente deze taak uitvoert.
En dan komt artikel 2.60 Wet BRP in beeld
Dat vraagstuk wordt nog interessanter door artikel 2.60 Wet BRP.
Een beslissing om iemand niet in te schrijven is namelijk een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Met andere woorden: een weigering kan uiteindelijk worden voorgelegd aan de bestuursrechter.
Die rechter zal dan niet alleen kijken naar de bestuurlijke praktijk, maar ook naar de wettelijke regeling.
En precies daar kan de spanning zichtbaar worden tussen wat bestuurlijk is georganiseerd en wat juridisch is vastgelegd.
Voor zover ons bekend heeft de hoogste bestuursrechter zich nog niet expliciet uitgesproken over deze specifieke vraag.
Een vraag voor de toekomst
De BRP-straten bestaan inmiddels ruim tien jaar.
Ze leveren aantoonbare voordelen op voor gemeenten, vergunninghouders en ketenpartners. Ook het Rijk investeert er nog steeds in, zoals blijkt uit de meest recente meicirculaire.
Juist daarom is het opvallend dat deze werkwijze nog altijd niet expliciet in de Wet BRP is verankerd.
Misschien is dat een discussie die de komende jaren gevoerd moet worden.
Want als een bestuurlijke constructie zo succesvol is geworden dat zij een vast onderdeel vormt van de uitvoering, ligt het voor de hand om ook te onderzoeken of de wettelijke basis daarbij nog voldoende aansluit.
Tot die tijd blijft een interessante juridische vraag boven de markt hangen:
Wat gebeurt er wanneer een advocaat niet naar de bestuurlijke afspraak kijkt, maar simpelweg de Wet BRP openslaat?
Wil je sparren over complexe BRP-vraagstukken?
Burgerzaken bevindt zich vaak op het snijvlak van wetgeving, beleid en uitvoeringspraktijk. Dat levert interessante juridische vragen op, maar soms ook onzekerheid.
Kennisinstituut Gemeenten ondersteunt gemeenten met juridisch advies, beleidsadvies en praktijkgerichte ondersteuning bij complexe vraagstukken binnen de BRP en Burgerzaken.
Op de hoogte blijven van actuele ontwikkelingen?
Tijdens onze actualiteitentrainingen bespreken wij niet alleen nieuwe wetgeving en jurisprudentie, maar juist ook de grijze gebieden waar uitvoering en recht elkaar ontmoeten.
Want juist daar ontstaan vaak de meest interessante discussies.