Briefadres op een gemeentelijk adres: mag de gemeente voorwaarden stellen?

Gemeenten krijgen steeds vaker te maken met inwoners die geen woonadres hebben en ook geen briefadresgever kunnen vinden. Sinds de wijziging van artikel 2.23 van de Wet BRP is het college in die gevallen verplicht om ambtshalve een briefadres op een adres van de gemeente toe te kennen. Dat roept in de praktijk regelmatig een vraag op: mag de gemeente aan zo’n briefadres voorwaarden verbinden? En als iemand zich vervolgens niet aan gemaakte afspraken houdt, kan het briefadres dan worden beëindigd?

Het antwoord is juridisch interessanter dan op het eerste gezicht lijkt.

Een gebonden bevoegdheid laat weinig ruimte

Artikel 2.23 van de Wet BRP kent het college geen beleidsvrijheid toe. Wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, moet een briefadres worden opgenomen. Dat maakt het een zogenoemde gebonden bevoegdheid.

Juist dat onderscheid is van belang.

In zijn conclusie over het verbinden van voorwaarden aan beschikkingen (ECLI:NL:RVS:2014:4116) heeft staatsraad advocaat-generaal Widdershoven uiteengezet dat voor het verbinden van voorschriften of voorwaarden aan een beschikking in beginsel een wettelijke grondslag nodig is. De Algemene wet bestuursrecht bevat daarvoor geen algemene bevoegdheid.

De hoofdregel luidt:

  • bij gebonden beschikkingen kunnen zonder wettelijke grondslag geen voorwaarden of voorschriften worden verbonden;
  • bij discretionaire beschikkingen (waar beleidsvrijheid bestaat) kan dat onder omstandigheden wel.

Kijkend naar artikel 2.23 Wet BRP valt moeilijk vol te houden dat sprake is van beleidsvrijheid. De wet schrijft immers dwingend voor wat het college moet doen.

Daar komt bij dat de Wet BRP nergens een bevoegdheid bevat om aan een ambtshalve gemeentelijk briefadres voorwaarden te verbinden.

De conclusie ligt daarom voor de hand: voor het stellen van juridisch afdwingbare voorwaarden ontbreekt een wettelijke grondslag.

Maar gemeenten mogen wél afspraken maken

Dat betekent niet dat gemeenten met lege handen staan.

Uit de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging blijkt juist dat de wetgever ervan uitgaat dat gemeenten afspraken maken met degene die op het gemeentelijke briefadres wordt ingeschreven.

De wetgever schrijft hierover expliciet:

“Het is overigens aan het college om als briefadresgever eventuele afspraken te maken met de betrokken ingeschrevene over diens bereikbaarheid.”

Dat is een belangrijk onderscheid.

Een afspraak is iets anders dan een juridisch voorschrift dat onderdeel uitmaakt van de beschikking. De gemeente kan bijvoorbeeld afspreken:

  • hoe vaak post wordt opgehaald;
  • op welke wijze contact wordt onderhouden;
  • welk telefoonnummer of e-mailadres wordt gebruikt;
  • hoe wijzigingen worden doorgegeven.

Deze afspraken zijn praktisch noodzakelijk om uitvoering te kunnen geven aan de taak van de gemeente als briefadresgever.

Wat als iemand zich niet aan die afspraken houdt?

In de praktijk ontstaat vervolgens vaak de vraag of het briefadres kan worden beëindigd wanneer iemand zijn post niet meer ophaalt of niet meer reageert.

Ook daar geeft de Memorie van Toelichting richting aan.

Wanneer een ingeschrevene niet meer bereikbaar is, geen nieuw woon- of briefadres opgeeft én na zorgvuldig onderzoek geen verblijfplaats kan worden vastgesteld, biedt artikel 2.22 Wet BRP de mogelijkheid om ambtshalve het vertrek uit Nederland op te nemen.

De Memorie van Toelichting formuleert dat als volgt:

“Indien betrokkene niet (meer) bereikbaar is, van hem geen aangifte van een ander brief- of woonadres wordt ontvangen en er na onderzoek geen verblijf- en adresgegevens achterhaald kunnen worden, is het college bevoegd om over te gaan tot ambtshalve opneming van het gegeven van vertrek uit Nederland.”

Daarmee eindigt automatisch ook de registratie op het gemeentelijke briefadres.

Niet te snel uitschrijven

Dat betekent overigens niet dat een gemeente iemand eenvoudig kan uitschrijven.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State benadrukt al jaren dat een besluit op grond van artikel 2.22 Wet BRP ingrijpende gevolgen heeft. Daarom mag daar slechts gebruik van worden gemaakt wanneer aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan.

Uit vaste rechtspraak volgt dat drie voorwaarden gezamenlijk aanwezig moeten zijn:

  • de ingezetene is niet bereikbaar;
  • er is geen aangifte van adreswijziging of vertrek ontvangen;
  • na een zorgvuldig en gedegen onderzoek kunnen geen gegevens over het verblijf worden achterhaald.

Pas wanneer aan deze drie voorwaarden is voldaan, kan uitschrijving plaatsvinden.

Een praktisch aandachtspunt

In de praktijk kiezen sommige gemeenten ervoor om in het besluit waarbij het gemeentelijke briefadres wordt toegekend allerlei verplichtingen op te nemen, zoals een verplichte meldfrequentie of de verplichting om eens per twee weken post op te halen.

Juridisch is dat niet zonder risico.

Omdat artikel 2.23 Wet BRP een gebonden bevoegdheid betreft en de wet geen grondslag biedt voor dergelijke voorschriften, is verdedigbaar dat deze voorwaarden niet rechtsgeldig aan de beschikking kunnen worden verbonden.

Dat betekent overigens niet dat zo’n besluit automatisch ongeldig is. Wanneer geen bezwaar of beroep wordt ingesteld, krijgt ook een besluit met mogelijk onrechtmatige voorwaarden formele rechtskracht. De voorwaarden blijven dan in stand, ondanks de twijfel over hun juridische basis.

Conclusie

De wettelijke verplichting om een gemeentelijk briefadres toe te kennen laat weinig ruimte voor aanvullende voorwaarden. De Wet BRP biedt daarvoor geen expliciete grondslag en artikel 2.23 betreft een gebonden bevoegdheid.

Dat betekent echter niet dat gemeenten geen verwachtingen mogen uitspreken. Integendeel: de wetgever gaat er juist vanuit dat gemeenten praktische afspraken maken over de bereikbaarheid van de ingeschrevene. Wanneer iemand vervolgens onbereikbaar raakt en na zorgvuldig onderzoek geen verblijfplaats meer kan worden vastgesteld, biedt artikel 2.22 Wet BRP uiteindelijk de mogelijkheid om de registratie als ingezetene te beëindigen.

Voor gemeenten is het daarom verstandig om niet te sturen op juridisch afdwingbare voorwaarden, maar op duidelijke afspraken, goede dossiervorming en zorgvuldig onderzoek. Juist die combinatie biedt de meeste juridische houvast wanneer een briefadres uiteindelijk moet worden beëindigd.

Masterclass Briefadressen 2.0 – wij komen weer naar je toe

De afgelopen periode reisden onze trainers door heel Nederland en mochten we al meer dan 600 professionals Burgerzaken verwelkomen tijdens de Masterclass Briefadressen. Van Groningen tot Maastricht en van Alkmaar tot Zwolle bleek één ding steeds weer: briefadressen blijven ingewikkelde materie en de vragen uit de praktijk nemen alleen maar toe.

Daarom trekken we ook dit jaar weer het land in met een volledig vernieuwde Masterclass Briefadressen 2.0. Tijdens deze praktijkgerichte bijeenkomst gaan we onder meer in op:

  • waar liggen de grenzen van de wet?
  • wat kan wel en wat kan echt niet?
  • hoe ga je om met schrijnende situaties?
  • hoe weegt de inlichtingenplicht in de dagelijkse praktijk?
  • en hoe voorkom je dat de BRP wordt gebruikt voor problemen die eigenlijk ergens anders thuishoren?

Zoals je van ons gewend bent combineren we actuele jurisprudentie met praktische voorbeelden, interactieve casussen en volop ruimte om ervaringen uit te wisselen met collega’s uit het hele land. Je gaat naar huis met direct toepasbare kennis én meer zekerheid bij de beoordeling van complexe briefadresaanvragen.

Wij komen weer naar verschillende locaties in Nederland. De kans is groot dat we ook bij jou in de buurt een bijeenkomst organiseren.

Meer weten of direct aanmelden? Bekijk dan de Masterclass Briefadressen 2.0 via onze website.Meer weten of direct aanmelden? Bekijk de masterclass via:

Scroll naar boven